Het Congres van ESGG (European Seed Growers Group) vond dit jaar plaats van 5 tot 7 mei in Nans-les-Pins (Frankrijk). De organisatie bestaat uit vertegenwoordigers van de zaaizaadvermeerderaars uit 8 Europese landen, die de belangen van de vermeerderaars vertegenwoordigen. Naast een aantal formele aangelegenheden werd ruim aandacht gegeven aan de meeste recente actuele zaken aangaande zaaizaden.
Gevolgen van klimaatverandering

De deelnemers bespraken de gevolgen van de klimaatverandering en de toenemende uitdagingen voor het seizoen 2026. Veel landen hebben te maken met een uitzonderlijk droog voorjaar, wat zorgen baart over de opkomst van de gewassen, de opbrengsten en de winstgevendheid van de productie.
Tijdens de bijeenkomst kwamen verschillende belangrijke kwesties voor de Europese zaadsector aan de orde, waaronder plantengezondheid, ontwikkelingen op het gebied van regelgeving, productiekosten en de financiering van plantenveredeling.
Er werd gewezen op moederkoren problemen in Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk, die verband houden met vochtige klimaatomstandigheden. Finland had in bepaalde jaren problemen met moederkoren in rogge, terwijl Italië, Zweden en Denemarken melding maakten van beperkte problemen met moederkoren. De deelnemers benadrukten het belang van agronomische praktijken, onkruidbestrijding en het sorteren van zaadpartijen om risico’s te verminderen.
Toenemend gebruik van hoevend
Tijdens de discussies werd nadruk gelegd op de sterke economische druk op verschillende gewassen als gevolg van stijgende productiekosten, lage prijzen en het toenemende gebruik van hoevezaad. Gecertificeerd zaad staat bijzonder onder druk omdat de vraag vermindert, ondanks voortdurende vernieuwing van de rassen.
Tegelijkertijd zouden regelingen die gericht zijn op het verminderen van stikstofbemesting ertoe kunnen leiden dat sommige boeren een deel van hun areaal tarwe vervangen door gerst, dat als veerkrachtiger wordt beschouwd en beter geschikt is voor systemen met lage input. Bovendien werd voor gerst opgemerkt dat er steeds meer zomerrassen worden gezaaid midden november vanwege hun betere weerstand tegen schimmelziekten.
Deelnemers benadrukten de noodzaak van efficiënte systemen voor de inning van royalty’s om de financiering van rassenonderzoek te waarborgen en het concurrentievermogen van de Europese veredeling te behouden. Terwijl sommige landen over efficiënte systemen beschikken, is dat in andere landen, waaronder Duitsland en verschillende Oost-Europese landen, niet het geval. Het risico op lange termijn is dat veredelaars overstappen op octrooien om onderzoek te financieren.
Ten slotte werden verschillen in regelgeving tussen landen, met name met betrekking tot stikstof aangemerkt als een belangrijk concurrentieprobleem binnen Europa.
Verschillende delegaties benadrukten de noodzaak van betere vergelijkingen tussen nationale situaties om de impact van deze beperkingen op de zaadsectoren te beoordelen.
Voedergewassen
Uit de besprekingen bleek dat de teelt van veel voedergewassen in een moeilijke economische situatie verkeert, tegen de achtergrond van grote voorraden, een dalende vraag en sterke druk op de winstgevendheid van de telers. Meerdere vertegenwoordigers verklaarden dat uitstekende opbrengsten in voorgaande seizoenen, in combinatie met een toegenomen areaal na de Covid- periode, hebben geleid tot een aanzienlijke voorraadopbouw.
Tijdens de coronacrisis had de sterke vraag verband met particulier tuinieren en de vraag naar bepaalde graszodenmarkten de afzet tijdelijk ondersteund. Deze trend zette zich echter niet voort en de markten zijn nu uit balans geraakt.
In verschillende landen streven zaadbedrijven er nu naar de productievolumes te verminderen om de bestaande voorraden af te bouwen, waarbij nieuwe vermeerderingscontracten soms drastisch worden beperkt.
Telers worden in toenemende mate geconfronteerd met voortdurend stijgende productiekosten, terwijl de opbrengsten steeds meer worden beïnvloed door klimaatrisico’s, sanitaire druk en moeilijkheden op het gebied van gewasbescherming. Verschillende deelnemers benadrukten dat de teelt en de commercialisering van sommige rassen nu bijzonder hoge risico’s met zich meebrengen, vooral wanneer de opbrengsten onvoldoende zijn om de kosten te dekken.
Het geleidelijke verlies van gewasbeschermingsmiddelen werd uitgebreid besproken. Verschillende delegaties gaven aan dat problemen bij de bestrijding van insecten de productie van voederzaad ernstig bemoeilijken, vooral voor bepaalde peulvruchten (rode en witte klaver). In Italië wordt de toename van het areaal luzerne tenietgedaan door opbrengstproblemen. In Denemarken begint het areaal luzerne zich te ontwikkelen als vervanging voor witte klaver, maar er doen zich grote problemen voor met bestuivers.
Uit de discussies bleek dat telers vrezen dat sommige producties geleidelijk uit Europa zullen verdwijnen als er niet snel economisch haalbare alternatieve oplossingen worden gevonden.
In dit verband benadrukten verschillende sprekers het belang van het versterken van de samenwerking tussen Europese landen om meer technische gegevens, onderzoeksresultaten en feedback over alternatieve methoden te delen.
De discussies richtten zich met name op nieuwe technologieën, agronomische strategieën en manieren om de productkwaliteit te handhaven en tegelijkertijd de afhankelijkheid van productiemiddelen te verminderen.
De debatten handelden ook over biologische landbouw en nieuwe benaderingen van regeneratieve landbouw. Sommige deelnemers wezen op technische moeilijkheden bij de biologische productie, met name wat betreft de hygiënische kwaliteit en onkruidbeheer. Tegelijkertijd lijkt er een groeiende belangstelling te ontstaan voor regeneratieve benaderingen, die worden gezien als mogelijke aanpassingstrajecten voor landbouwsystemen die te maken hebben met ecologische en economische beperkingen.
Naar aanleiding van het verzoek van Nieuw-Zeeland om de productiekosten internationaal te vergelijken, gaven de deelnemers aan dat zij niet bereid waren gedetailleerde informatie over de Europese markten te verstrekken, gezien het grote risico op verplaatsing van de productie naar deze landen.
Plantaardige teeltmateriaal
Tijdens de besprekingen over de toekomstige regelgeving inzake teeltmateriaal kwamen ook zorgen naar voor over hoevezaad en certificeringssystemen in bepaalde Oost-Europese landen. Uit de besprekingen bleek ook dat er grote bezorgdheid bestaat over nichemarkten en soorten met een kleine productie. Verschillende deelnemers benadrukten het risico dat harmonisatie en aangescherpte regelgevingseisen (traceerbaarheid, administratieve verplichtingen, controles, sanitaire en raseisen) zouden kunnen leiden tot onevenredige kosten voor bepaalde gespecialiseerde sectoren.
Nieuwe gentechnologieën
De vergadering besprak de stand van zaken met betrekking tot de Europese regelgeving waarover momenteel wordt gediscussieerd, evenals de debatten over intellectuele eigendom. Er werd in het bijzonder aandacht besteed aan octrooieerbaarheidskwesties en het behoud van de kwekersvrijstelling, die als essentieel wordt beschouwd voor het behoud van rasseninnovatie in Europa. Verschillende sprekers waarschuwden voor het risico van een verschuiving naar meer restrictieve systemen voor intellectuele eigendom die uiteindelijk de toegang tot genetische hulpbronnen zouden kunnen beperken en sommige belanghebbenden in de sector zouden kunnen verzwakken.
Ook werd benadrukt dat het debat zich niet uitsluitend mag richten op de octrooieerbaarheid van NGT’s, op straffe van een heropening van Richtlijn 98/44 inzake biotechnologische uitvindingen, een optie die wordt gesteund door bepaalde leden van het Europees Parlement, waaronder Christophe Clergeau (socialist). Verschillende deelnemers wezen erop dat een dergelijke herziening gevoelige juridische evenwichten zou kunnen verstoren en grote onzekerheden zouden kunnen creëren voor alle betrokken belanghebbenden.
Tijdens de discussies werd ook benadrukt dat NGT-technologieën veel verder reiken dan alleen de plantensector en meer in het algemeen betrekking hebben op biotechnologie. In dit verband was Denemarken van mening dat kwesties op het gebied van octrooirecht niet rechtstreeks in de NGT-verordening zelf moeten worden behandeld.
Tegelijkertijd werd in de discussies het belang benadrukt van de lopende herziening van Verordening (EG) nr. 2100/94 betreffende het communautaire kwekersrecht (CPVR). Verschillende deelnemers waren van mening dat dit kader geschikter lijkt voor het versterken en veiligstellen van de kwekersvrijstelling om de toegang tot genetisch materiaal te behouden en te zorgen voor voortdurende rasseninnovatie binnen het Europese model.
Problematiek gewasbeschermingsmiddelen
Verschillende landen uitten hun bezorgdheid over de geleidelijke uitfasering van werkzame stoffen en de toenemende moeilijkheden bij het vinden van effectieve vervangende oplossingen. Uit de discussies bleek dat deze regelgevende ontwikkelingen grote druk uitoefenen op zaadproducenten, met name wanneer technische alternatieven beperkt blijven of economisch moeilijk te implementeren zijn. In dit verband werden verschillende nationale initiatieven met betrekking tot alternatieve methoden gepresenteerd:
– Het PARSADA-plan in Frankrijk door Anne Gayraud
– Close2Zero-project in Denemarken door Troels Prior Larsen
De discussies richtten zich op precisietechnologieën, digitale hulpmiddelen, GPS-gestuurde sproeisystemen, gerichte onkruidbestrijdingstechnologieën en de mogelijkheden die artificiële intelligentie biedt om het onkruidbeheer te verbeteren. De deelnemers benadrukten niettemin dat deze oplossingen nog steeds aanzienlijke investeringen in onderzoek en ontwikkeling vereisen en op korte termijn het verdwijnen van bepaalde momenteel beschikbare gewasbeschermingsmiddelen niet volledig zullen compenseren.
Ten slotte benadrukten de deelnemers de noodzaak om de Europese samenwerking te versterken om onderzoeksinspanningen te bundelen, feedback tussen landen uit te wisselen en de ontwikkeling van levensvatbare alternatieve oplossingen te versnellen. Er ontstond consensus dat de lopende transitie technische, economische en regelgevende ondersteuning vereist om het concurrentievermogen en de duurzaamheid van de Europese zaadproductie te behouden
GLB post 2027
Uit de discussies over het toekomstige gemeenschappelijk landbouwbeleid kwamen talrijke bezorgdheden naar voor. Verschillende delegaties uitten hun bezorgdheid over een mogelijke hernationalisering van het GLB, die de eenheid van de Europese markt zou kunnen ondermijnen en de concurrentieverschillen tussen de lidstaten zou kunnen vergroten.
De mogelijke toetreding van Oekraïne tot de Europese Unie werd ook genoemd als een belangrijk punt voor het toekomstige evenwicht van het Europese landbouwbeleid, gezien het aanzienlijke landbouwgewicht van het land.
De gevolgen van internationale handelsovereenkomsten, met name met Mercosur, gaven ook aanleiding tot grote bezorgdheid. De deelnemers benadrukten dat dergelijke overeenkomsten de concurrentieverstoringen voor bepaalde Europese sectoren zouden kunnen vergroten, terwijl de gevolgen zouden variëren naargelang de producties en de landen.
Tussenkomst vanuit UK
Vijf jaar na de Brexit en nu alle steun van het publiek verloren is gegaan, keert het Verenigd Koninkrijk weer dichter naar het Europese kader terug, nu de regering heeft besloten de Europese normen te volgen. Dit is voor hen van belang omdat de export erg moeilijk was geworden. Tegelijkertijd zullen ze ook werkzame stoffen verliezen
